's Morgens vroeg, de trein naar Brussel.
De meeste mensen slapen. Van sommigen valt hun mond open, en dribbelt er al gauw wat speeksel uit.
Geen commentaar, ik ben er ook soms bij.
De anderen lezen, kranten, maar ook boeken.
Ik lees ook. Behalve op sommige dagen. Als er iemand voor me zit met een boek, dan moet ik op sommige dagen gewoon weten wat het is. Dan is het iedere keer weer zaak heel vlug te zijn, en de titel te spotten voor de lezer zich gesettled heeft. Als dat lukt, kan ik zelf beginnen lezen.
Als het niet onmiddellijk lukt, wordt het vervelend, gênant zelfs. Ik zit te gluren en te loeren naar het boek, tot de lezer er ongemakkelijk onder wordt en me een boze blik toewerpt. Denkt dat ik hem/haar zit aan te staren. Er rest me dan niets anders dan me te concentreren op mijn eigen boek. Maar het blijft me moeite kosten om niet af en toe een verstolen blik op het boek van mijn buur te werpen. Of zelfs om niet te hervallen in gestaar.
Gelukkig zijn er ook andere dagen, dagen waarop ik als een normaal mens door het leven stap, en me dus normaal gedraag. Ik ga zitten, haal mijn boek uit mijn tas en ben weg.
Waarom is lezen in de trein zo prettig?
Ik ken een reeks redenen, ik geef ze hier in in specifiteit opklimmende volgorde:
omdat lezen altijd prettig is
omdat ik graag met de trein reis, en lezen in de trein dus tweemaal genieten is
omdat je er in de trein de tijd niet voor moet stelen
omdat de tijd die je toegemeten krijgt, vast ligt en ik er daardoor intenser gebruik van maak
omdat ik kind was in een groot gezin, en lezen altijd in een drukke omgeving gebeurde. Ik ben zelfs in die richting geconditioneerd, kan me moeilijker concentreren in volkomen stilte.
omdat mensen in mijn omgeving ook zitten te lezen en lezen er dus in de lucht zit
omdat naar het voorbij vliegende landschap kijken ideaal is voor die momenten waarop je je boek even neerlegt
Andere redenen - en die zijn er, daar ben ik zeker van - blijven zich voorlopig in duisternis hullen.
Als u er zicht op hebt, wilt u ze mij dan signaleren?
zondag 7 februari 2010
zaterdag 30 januari 2010
Lachen met boeken
Ooit ben ik begonnen met in een schrift komische fragmenten uit boeken neer te pennen.
't Heeft niet lang geduurd. Ik heb voor zoiets niet de lange adem, en bovendien werkt het ook niet.
Waarschijnlijk moeten ze je verrassen, de dingen die je in een lach doen schieten. Daarom kun je voor dit doel ook niet terugvallen op bloemlezingen (heb ik wel geprobeerd).
Of misschien moet je toch gewoon doorgaan ermee, met het oppotten van die stukjes, en ze verder laten liggen. Misschien blijken ze pas weer te werken als je er het stof vanaf moet blazen.
Vandaag wou ik in ieder geval dat ik had volgehouden.
Voor dagen zoals deze, nu er weer sneeuw ligt, iets waar ik absoluut geen zin in heb!.
't Heeft niet lang geduurd. Ik heb voor zoiets niet de lange adem, en bovendien werkt het ook niet.
Waarschijnlijk moeten ze je verrassen, de dingen die je in een lach doen schieten. Daarom kun je voor dit doel ook niet terugvallen op bloemlezingen (heb ik wel geprobeerd).
Of misschien moet je toch gewoon doorgaan ermee, met het oppotten van die stukjes, en ze verder laten liggen. Misschien blijken ze pas weer te werken als je er het stof vanaf moet blazen.
Vandaag wou ik in ieder geval dat ik had volgehouden.
Voor dagen zoals deze, nu er weer sneeuw ligt, iets waar ik absoluut geen zin in heb!.
zaterdag 16 januari 2010
De echte wereld (2)
In haar essay 'Echter dan werkelijk/Over 'fictie' in de literatuur' (*) buigt ook Patricia de Martelaere zich over de (vermeende?) tegenstelling fictie - realiteit.
In dit essay keert zij zich tegen de filosofie, of toch een beetje.
De filosofie heeft het moeilijk met fictie in de literatuur, stelt ze.
Zij - de filosofie - worstelt in de eerste plaats met het waarheidsgehalte van de fictie. Dat komt omdat ze niet kan afstappen van haar gewoonte om waarheid als referentie en correspondentie op te vatten.
Dit probleem met het waarheidsgehalte van fictie is een probleem dat betrekking heeft op het 'locutionaire' aspect van de taal, stelt PDM. Dit locutionaire aspect is een van de drie kernbegrippen uit de taaltheorie van John Langshaw. De schrijfster gebruikt deze theorie om duidelijk te maken waar het schoentje wringt tussen filosofie en fictie. Het illocutionaire aspect van een taalact dan is de houding van de spreker tegenover wat hij zegt. Kan een fictieschrijver echte beweringen doen, echte oordelen vellen over iets dat geen bestaande referenten heeft? Dit is een heel moeilijke vraag voor de filosofie. Aannemen dat dat wel kan, brengt andere filosofische theorieën in gevaar. Daarom zoekt de filosofie het antwoord dan maar achter een bocht : fictie schrijven is een apart soort illocutionaire act. Het is als het ware een doen alsof.
De fictielezer brengt ons tot een volgende aspect van Langshaws theorie, nl. het perlocutionaire aspect. Dit is wat de uiting van een taalact teweegbrengt. Welnu, net zoals de schrijver doet alsof, pretendeert volgens de filosofie ook de fictielezer enkel alsof hij de schrijver gelooft. Volgens de filosofie zou er dus sprake zijn van een principiële onbetrokkenheid tussen lezer en gelezen fictie. Bullshit, zegt de schrijfster. Net tot fictionele kunstwerken is onze betrokkenheid het grootst. En omgekeerd legt een lezer maar een partieel engagement aan de dag tegenover gelezen realiteit, bv. tot zijn krant. Dat doet hij uit een gezonde reflex om zichzelf te beschermen. En dat de schrijver alleen maar beweringen zou nabootsen, is volgens de schrijfster al even grote onzin. Tijdens het schrijven is de schrijver niet zozeer iets aan het beweren, hij is iets aan het maken, een kunstwerk. En dat op dezelfde manier als een componist die componeert een kunstwerk maakt, of een schilder die een schilderij maakt.
En nu, lezers, wordt het volgens mij echt interessant. Het probleem met de waarheidswaarde dat de filosofie heeft, zegt PDM, veronderstelt een scheiding tussen vorm en inhoud, die eigen is aan het normale taalgebruik, maar die vreemd is aan het literaire taalgebruik (yes!). In literair taalgebruik kunnen vorm en inhoud niet langer van elkaar gescheiden worden, ze vormen een alchemistische symbiose. Echte literatuur wordt gekarakteriseerd door een onherhaalbare verbinding tussen vorm en inhoud.
Maar er is nog iets. Volgens de schrijfster is er een 'onmiskenbaar en moeilijk te lokaliseren effect van surrealiteit dat het lezen van elk literair werk begeleidt'. Dat effect blijkt er ook te zijn bij het lezen van literaire werken die inhoudelijk 'geheel waar' zijn. De wereld van de literatuur, besluit de schrijfster is een soort 'sur-realiteit', waarin waarheid wordt gecreëerd door de voorstelling zelf, en niet door een 'surrogaatpresentatie van imaginaire referenten'.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
De verhouding die Patricia de Martelaere hier aan de kaak stelt, is die van de filosofie tegenover fictie in de literatuur. Maar ik denk dat we zonder probleem kunnen stellen dat het precies dezelfde verhouding is die we in het dagdagelijkse leven merken tussen niet-lezers en fictie, of literatuur. Zonder het bewustzijn ervan, en zonder argumenten.
Als iemand die geniet van een literair fictiewerk, iemand is die geniet van de vorm- en inhoudverbinding, die van dat fictiewerk een literair kunstwerk maakt, dan kunnen we omgekeerd stellen, dat iemand die niet kan genieten van een literair fictiewerk, iemand is die geen gevoel heeft voor die vorm-inhoudverbinding. In modieus taalgebruik zouden we zeggen dat zo iemand niet het gen heeft dat van literatuur doet genieten.
Het taalgebruik als kunstvorm, prijs jezelf gelukkig als je daar gevoel voor hebt.
In tegenstelling tot de schrijfster vind ik het wel belangrijk dat je de term realiteit niet uitsluit in de discussie over fictie in de literatuur. Schrijvers en lezers zijn mensen. We maken deel uit van en beleven dezelfde wereld als de niet-schrijvers en de niet-lezers. Met het schrijven en met het lezen gaan we niet de irrealiteit in, toch niet in het overgrote deel van de literatuur. Het woord 'surrealiteit' dat PDM gebruikt, krijgt hier dan een tweede betekenis. Bovenwerkelijkheid zou je het ook kunnen noemen. Als lezer zweef je net even boven de werkelijkheid uit. Je ziet een werkelijkheid die veel rijker, veel breedser en veel mundialer is dan je vanuit je ene positie middenin dat echte leven te beleven krijgt.
Alsof je een ballonvaart maakt over het leven.
(*) Een verlangen naar ontroostbaarheid. Over leven, kunst en dood. Patricia de Martelaere, Meulenhoff, 2009, p. 137-148
In dit essay keert zij zich tegen de filosofie, of toch een beetje.
De filosofie heeft het moeilijk met fictie in de literatuur, stelt ze.
Zij - de filosofie - worstelt in de eerste plaats met het waarheidsgehalte van de fictie. Dat komt omdat ze niet kan afstappen van haar gewoonte om waarheid als referentie en correspondentie op te vatten.
Dit probleem met het waarheidsgehalte van fictie is een probleem dat betrekking heeft op het 'locutionaire' aspect van de taal, stelt PDM. Dit locutionaire aspect is een van de drie kernbegrippen uit de taaltheorie van John Langshaw. De schrijfster gebruikt deze theorie om duidelijk te maken waar het schoentje wringt tussen filosofie en fictie. Het illocutionaire aspect van een taalact dan is de houding van de spreker tegenover wat hij zegt. Kan een fictieschrijver echte beweringen doen, echte oordelen vellen over iets dat geen bestaande referenten heeft? Dit is een heel moeilijke vraag voor de filosofie. Aannemen dat dat wel kan, brengt andere filosofische theorieën in gevaar. Daarom zoekt de filosofie het antwoord dan maar achter een bocht : fictie schrijven is een apart soort illocutionaire act. Het is als het ware een doen alsof.
De fictielezer brengt ons tot een volgende aspect van Langshaws theorie, nl. het perlocutionaire aspect. Dit is wat de uiting van een taalact teweegbrengt. Welnu, net zoals de schrijver doet alsof, pretendeert volgens de filosofie ook de fictielezer enkel alsof hij de schrijver gelooft. Volgens de filosofie zou er dus sprake zijn van een principiële onbetrokkenheid tussen lezer en gelezen fictie. Bullshit, zegt de schrijfster. Net tot fictionele kunstwerken is onze betrokkenheid het grootst. En omgekeerd legt een lezer maar een partieel engagement aan de dag tegenover gelezen realiteit, bv. tot zijn krant. Dat doet hij uit een gezonde reflex om zichzelf te beschermen. En dat de schrijver alleen maar beweringen zou nabootsen, is volgens de schrijfster al even grote onzin. Tijdens het schrijven is de schrijver niet zozeer iets aan het beweren, hij is iets aan het maken, een kunstwerk. En dat op dezelfde manier als een componist die componeert een kunstwerk maakt, of een schilder die een schilderij maakt.
En nu, lezers, wordt het volgens mij echt interessant. Het probleem met de waarheidswaarde dat de filosofie heeft, zegt PDM, veronderstelt een scheiding tussen vorm en inhoud, die eigen is aan het normale taalgebruik, maar die vreemd is aan het literaire taalgebruik (yes!). In literair taalgebruik kunnen vorm en inhoud niet langer van elkaar gescheiden worden, ze vormen een alchemistische symbiose. Echte literatuur wordt gekarakteriseerd door een onherhaalbare verbinding tussen vorm en inhoud.
Maar er is nog iets. Volgens de schrijfster is er een 'onmiskenbaar en moeilijk te lokaliseren effect van surrealiteit dat het lezen van elk literair werk begeleidt'. Dat effect blijkt er ook te zijn bij het lezen van literaire werken die inhoudelijk 'geheel waar' zijn. De wereld van de literatuur, besluit de schrijfster is een soort 'sur-realiteit', waarin waarheid wordt gecreëerd door de voorstelling zelf, en niet door een 'surrogaatpresentatie van imaginaire referenten'.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------
De verhouding die Patricia de Martelaere hier aan de kaak stelt, is die van de filosofie tegenover fictie in de literatuur. Maar ik denk dat we zonder probleem kunnen stellen dat het precies dezelfde verhouding is die we in het dagdagelijkse leven merken tussen niet-lezers en fictie, of literatuur. Zonder het bewustzijn ervan, en zonder argumenten.
Als iemand die geniet van een literair fictiewerk, iemand is die geniet van de vorm- en inhoudverbinding, die van dat fictiewerk een literair kunstwerk maakt, dan kunnen we omgekeerd stellen, dat iemand die niet kan genieten van een literair fictiewerk, iemand is die geen gevoel heeft voor die vorm-inhoudverbinding. In modieus taalgebruik zouden we zeggen dat zo iemand niet het gen heeft dat van literatuur doet genieten.
Het taalgebruik als kunstvorm, prijs jezelf gelukkig als je daar gevoel voor hebt.
In tegenstelling tot de schrijfster vind ik het wel belangrijk dat je de term realiteit niet uitsluit in de discussie over fictie in de literatuur. Schrijvers en lezers zijn mensen. We maken deel uit van en beleven dezelfde wereld als de niet-schrijvers en de niet-lezers. Met het schrijven en met het lezen gaan we niet de irrealiteit in, toch niet in het overgrote deel van de literatuur. Het woord 'surrealiteit' dat PDM gebruikt, krijgt hier dan een tweede betekenis. Bovenwerkelijkheid zou je het ook kunnen noemen. Als lezer zweef je net even boven de werkelijkheid uit. Je ziet een werkelijkheid die veel rijker, veel breedser en veel mundialer is dan je vanuit je ene positie middenin dat echte leven te beleven krijgt.
Alsof je een ballonvaart maakt over het leven.
(*) Een verlangen naar ontroostbaarheid. Over leven, kunst en dood. Patricia de Martelaere, Meulenhoff, 2009, p. 137-148
zaterdag 19 december 2009
Zuid-Afrikaans
Ik zou hier kunnen beginnen zoals Tom Lanoye op zijn tour met Antjie Krog door Vlaanderen in 2006 dat deed, namelijk met uitgebreid aan te tonen dat mijn liefde voor het Zuid-Afrikaans boven alle verdenking staat. Tom Lanoye deed er eerst twintig minuten over om, met veel verve, de liefde voor deze taal bij een boel mensen als verdacht af te schilderen, en dan nog eens een kwartier om er zijn eigen zwak voor de taal als de enige politiek correcte daartegenover te stellen.
Hoeft niet, ik hou gewoon van het Zuid-Afrikaans, zoals ik van het Engels, het Zweeds, het Russisch en nog andere talen hou.
Het Zuid-Afrikaans is een heel mooie taal. Het is ook een erotiserende taal.
Een Zuid-Afrikaanse man die mij in zijn taal een liefdesgedicht zou voorlezen, ja, veel kans dat ik voor hem zou vallen. Gevaarlijk dus.
Maar het waren twee Zuid-Afrikaanse vrouwen die ik onlangs aan het woord hoorde in Damme, op het programma 'n Legkaart van woorde, nl. Christine Barkhuizen Leroux en Laurinda Hofmeyr.
Er zijn nog mensen die gedichten op muziek zetten, en ze zingen. Maar Laurinda Hofmeyr is totnutoe voor mij de enige die daar in slaagt. Ze zingt liederen, geen gedichten. Ze doet dit met een warme krachtige stem, en ze begeleidt zichzelf op de piano. U kunt haar horen op dit adres: http://www.youtube.com/watch?v=3lEefJn31-o&feature=related
Christine Barkhuizen Leroux las voor uit eigen werk.
Gedichten voorlezen is geen dankbaar werk. Ik luister er meestal niet zo graag naar. Een gedicht, stilte, weer een gedicht, weer wat (vaak ongemakkelijke) stilte, wat commentaar bij wat volgt, een gedicht, stilte enz. Maar de klank van haar stem en de klank van haar taal bleken bij Christine Barkhuizen een magische combinatie te zijn. Ik hing aan haar lippen. Bad bij iedere stilte dat het nog niet gedaan zou zijn.
Gedichten voorlezen is geen dankbaar werk. Ik luister er meestal niet zo graag naar. Een gedicht, stilte, weer een gedicht, weer wat (vaak ongemakkelijke) stilte, wat commentaar bij wat volgt, een gedicht, stilte enz. Maar de klank van haar stem en de klank van haar taal bleken bij Christine Barkhuizen een magische combinatie te zijn. Ik hing aan haar lippen. Bad bij iedere stilte dat het nog niet gedaan zou zijn.
Ik kan jullie die symbiose niet laten horen.
Ik geef enkel een klein gedicht mee. Niet zo bijzonder, maar stel het je voor in een warme, jonge vrouwenstem, in dat Zuid-Afrikaans.
Blom vir winter
Bo-oor die toppe van die seders
die Middellandse see
reik ek
om jou te raak
by hierdie ingreep
op jou houvas -
jou eerste liefde ooit
wat jy 'n naaldskerp winterdag
berg-oor
die aarde in sal dra
en met die wilde rooi papawer
sal ek in hierdie anderland
in legwerk tussen spoelklippe
myself tot troostblom vir jou plant
Uit 'Roset', Christine Barkhuizen le Roux
maandag 30 november 2009
De katten van Doris lessing
Doris Lessing is een schrijfster naar mijn hart.
Ze is ook een mens naar mijn hart.
Dat is al lange tijd zo, maar sedert kort nog veel meer. Bekijk haar reactie op het nieuws dat ze de Nobelprijs literatuur gewonnen heeft op YouTube. Verrukkelijk toch.
En op de Boekenbeurs kocht ik van haar hand 'In 't bijzonder katten' (*).
Doris Lessing lees je niet voor de taal, de stijl, het literaire van haar boeken. Niet dat ze niet goed schrijft, ze schrijft heel goed. Maar Doris Lessing lees je om haar thematiek. Ze is een denker, en haar inzichten vertelt ze in romans, kortverhalen, interviews, essays, etc. En die hebben een bijna verblindende reikwijdte.
Vrouwen zijn de hoofdpersonages in een groot deel van haar romans, die dan ook sterk autobiografisch zijn. Ze is een feministisch schrijfster die zich nooit tot de rangen van de feministen heeft willen bekennen.
Het is niet mijn bedoeling om hier een overzicht te geven van het werk van Doris Lessing. Sommige van haar werken las ik meer dan twintig jaar geleden. Van sommige weet ik niet meer of ik ze gelezen heb.
Maar ik geef u wel mee wat ik vrij recent van haar las: The fifth child en het vervolg: Ben in the world.
Ze illustreren nog eens haar enorme interessebereik.
The fifth Child en Ben in the world gaan over een changeling, een wisselkind. Het vijfde kind van een kinderlievend echtpaar blijkt een wisselkind te zijn, een vreemde eend in de bijt, een kind dat zich niet thuisvoelt in het gezin waarin het geboren is, en ook niet in de wereld. D.L. beschrijft met een ijzingwekkend aanvoelen de getormenteerde figuur van Ben, zijn moeilijke relatie tot de wereld, zijn eenzaamheid, zijn herkenning van een soortgenote in een rotstekening, zijn verlangen, en zijn onvermijdelijk einde.
In een bespreking las ik dat dit werk ging over goed en kwaad. Ik denk het niet. DL vraagt zich af wat het zou betekenen als je bij je geboorte in de verkeerde wereld terecht zou komen, of beter in de verkeerde tijd. Wat als je niets herkent, geen enkel aanknopingspunt vindt, geen enkel raakvlak hebt met de andere wereldbewoners, en je alleen staande kunt houden door hen te imiteren? M.a.w. als nature het absolute overwicht heeft, en nurture je enkel in staat stelt om na te bootsen. Het nergens toe behoren, absolute verbanning, immens verlangen dat nooit vervuld kan worden.
Wie een goede biografie van DL wil lezen, leest best haar autobiografie:
Under my skin (1ste deel) (1996) en Walking in the shade (2de deel) (1997). Een derde deel zou volgen, maar haar meest recente boek Alfred and Emily, een boek over haar ouders, zou de schrijfster als haar laatste hebben aangekondigd.
Terug naar 'In 't bijzonder katten'. Want om dit boekje wil ik DL wel aan mijn hart drukken.
Lezer, u moet van katten houden om dit boekje te lezen. Als u schrik heeft van katten, of er gewoon niet van houdt, zal u zich rot ergeren.
Ik heb er mateloos van genoten.
Voor Doris Lessing is het katten houden iets vanzelfsprekends. Ze groeide op in een boerderij in Rhodesië. Katten waren altijd in de buurt, want ze moesten de muizenpopulatie klein houden. Het hele gezin Mayer hield van die katten. Een keer slagen ze erin om een kat met een nest jongen in een door het regenseizoen ingestorte mijnschacht van de dood te redden. Dat haal ik aan omdat u het met mij nobel zou vinden van hen, maar ook omdat het wijst op de aandacht die er was voor katten, de bezorgdheid om hun welzijn. Hoe anders hadden ze de boodschap van een graatmagere verwilderde kat die om hulp komt op hun boerderij kunnen verstaan?
DL leerde de kattentaal op de boerderij van haar ouders in Rhodesië.
In haar boek 'In het bijzonder katten' maakt ze er geen punt van: haar katten slapen bij haar op bed, tegen haar hoofd, aan haar voeten, in de holte van haar knieën. Ze wekken haar door met een pootje tegen haar gezicht te slaan, door snel een paar keer na elkaar over haar heen te lopen op het bed, of door vlak voor haar neus luidop te gaan zitten spinnen. DL staat dan voor hen op, om ze buiten te laten, of eten te geven. Ze legt zich neer bij de kieskeurigheid van sommige katten wat eten betreft. Een van haar katten eet alleen gebakken wijting en konijn. Haar katten brengen zoals katten nu eenmaal doen, dode muizen mee naar binnen voor hun baasje. Waarop Doris afkeer voelt, niet omwille van die vuile dode dieren in haar huis, maar omdat ze die beestjes dooddoen. Ze houdt er niet van om katten te laten steriliseren. Dus staat ze haar katten iedere keer opnieuw bij bij ieder nest, en gaat ze iedere keer weer opnieuw op zoek naar een goeie thuis voor de jongen.
In dit boekje herken ik de eindeloze interesse van DL in de wereld om haar heen. Ze observeert, analyseert, interpreteert de kattenwereld zoals ze dat met ieder ander fenomeen doet.
Ik ben dol op onze vier katten en op katten in het algemeen. En mijn hart gaat uit naar deze vrouw die vanuit haar liefde voor katten er met de grootste vanzelfsprekendheid een boek aan wijdt.
Zelf begrijp ik katten ook beter nu ik dit boekje gelezen heb.
En ik ben van mening veranderd. Ook al houdt u niet van katten, lees dit boekje. Ik ben er zeker van dat u de kat van de buren met andere ogen gaat bekijken. Want nu weet u wat haar drijft.
(*) In 't bijzonder katten, Doris Lessing, Prometheus A'dam, 2008, 128 p., ill.
Ze is ook een mens naar mijn hart.
Dat is al lange tijd zo, maar sedert kort nog veel meer. Bekijk haar reactie op het nieuws dat ze de Nobelprijs literatuur gewonnen heeft op YouTube. Verrukkelijk toch.
En op de Boekenbeurs kocht ik van haar hand 'In 't bijzonder katten' (*).
Doris Lessing lees je niet voor de taal, de stijl, het literaire van haar boeken. Niet dat ze niet goed schrijft, ze schrijft heel goed. Maar Doris Lessing lees je om haar thematiek. Ze is een denker, en haar inzichten vertelt ze in romans, kortverhalen, interviews, essays, etc. En die hebben een bijna verblindende reikwijdte.
Vrouwen zijn de hoofdpersonages in een groot deel van haar romans, die dan ook sterk autobiografisch zijn. Ze is een feministisch schrijfster die zich nooit tot de rangen van de feministen heeft willen bekennen.
Het is niet mijn bedoeling om hier een overzicht te geven van het werk van Doris Lessing. Sommige van haar werken las ik meer dan twintig jaar geleden. Van sommige weet ik niet meer of ik ze gelezen heb.
Maar ik geef u wel mee wat ik vrij recent van haar las: The fifth child en het vervolg: Ben in the world.
Ze illustreren nog eens haar enorme interessebereik.
The fifth Child en Ben in the world gaan over een changeling, een wisselkind. Het vijfde kind van een kinderlievend echtpaar blijkt een wisselkind te zijn, een vreemde eend in de bijt, een kind dat zich niet thuisvoelt in het gezin waarin het geboren is, en ook niet in de wereld. D.L. beschrijft met een ijzingwekkend aanvoelen de getormenteerde figuur van Ben, zijn moeilijke relatie tot de wereld, zijn eenzaamheid, zijn herkenning van een soortgenote in een rotstekening, zijn verlangen, en zijn onvermijdelijk einde.
In een bespreking las ik dat dit werk ging over goed en kwaad. Ik denk het niet. DL vraagt zich af wat het zou betekenen als je bij je geboorte in de verkeerde wereld terecht zou komen, of beter in de verkeerde tijd. Wat als je niets herkent, geen enkel aanknopingspunt vindt, geen enkel raakvlak hebt met de andere wereldbewoners, en je alleen staande kunt houden door hen te imiteren? M.a.w. als nature het absolute overwicht heeft, en nurture je enkel in staat stelt om na te bootsen. Het nergens toe behoren, absolute verbanning, immens verlangen dat nooit vervuld kan worden.
Wie een goede biografie van DL wil lezen, leest best haar autobiografie:
Under my skin (1ste deel) (1996) en Walking in the shade (2de deel) (1997). Een derde deel zou volgen, maar haar meest recente boek Alfred and Emily, een boek over haar ouders, zou de schrijfster als haar laatste hebben aangekondigd.
Terug naar 'In 't bijzonder katten'. Want om dit boekje wil ik DL wel aan mijn hart drukken.
Lezer, u moet van katten houden om dit boekje te lezen. Als u schrik heeft van katten, of er gewoon niet van houdt, zal u zich rot ergeren.
Ik heb er mateloos van genoten.
Voor Doris Lessing is het katten houden iets vanzelfsprekends. Ze groeide op in een boerderij in Rhodesië. Katten waren altijd in de buurt, want ze moesten de muizenpopulatie klein houden. Het hele gezin Mayer hield van die katten. Een keer slagen ze erin om een kat met een nest jongen in een door het regenseizoen ingestorte mijnschacht van de dood te redden. Dat haal ik aan omdat u het met mij nobel zou vinden van hen, maar ook omdat het wijst op de aandacht die er was voor katten, de bezorgdheid om hun welzijn. Hoe anders hadden ze de boodschap van een graatmagere verwilderde kat die om hulp komt op hun boerderij kunnen verstaan?
DL leerde de kattentaal op de boerderij van haar ouders in Rhodesië.
In haar boek 'In het bijzonder katten' maakt ze er geen punt van: haar katten slapen bij haar op bed, tegen haar hoofd, aan haar voeten, in de holte van haar knieën. Ze wekken haar door met een pootje tegen haar gezicht te slaan, door snel een paar keer na elkaar over haar heen te lopen op het bed, of door vlak voor haar neus luidop te gaan zitten spinnen. DL staat dan voor hen op, om ze buiten te laten, of eten te geven. Ze legt zich neer bij de kieskeurigheid van sommige katten wat eten betreft. Een van haar katten eet alleen gebakken wijting en konijn. Haar katten brengen zoals katten nu eenmaal doen, dode muizen mee naar binnen voor hun baasje. Waarop Doris afkeer voelt, niet omwille van die vuile dode dieren in haar huis, maar omdat ze die beestjes dooddoen. Ze houdt er niet van om katten te laten steriliseren. Dus staat ze haar katten iedere keer opnieuw bij bij ieder nest, en gaat ze iedere keer weer opnieuw op zoek naar een goeie thuis voor de jongen.
In dit boekje herken ik de eindeloze interesse van DL in de wereld om haar heen. Ze observeert, analyseert, interpreteert de kattenwereld zoals ze dat met ieder ander fenomeen doet.
Ik ben dol op onze vier katten en op katten in het algemeen. En mijn hart gaat uit naar deze vrouw die vanuit haar liefde voor katten er met de grootste vanzelfsprekendheid een boek aan wijdt.
Zelf begrijp ik katten ook beter nu ik dit boekje gelezen heb.
En ik ben van mening veranderd. Ook al houdt u niet van katten, lees dit boekje. Ik ben er zeker van dat u de kat van de buren met andere ogen gaat bekijken. Want nu weet u wat haar drijft.
(*) In 't bijzonder katten, Doris Lessing, Prometheus A'dam, 2008, 128 p., ill.
zondag 8 november 2009
Boekenbeurzen
De Antwerpse boekenbeurs, ik ga er de laatste jaren met gemengde gevoelens naartoe.
Het is zo véél, het is té veel.
Ik heb een beetje heimwee naar de boekenbeurs die het Davidsfonds jaarlijks in onze gemeente hield. Die was nog overzichtelijk, en vol sfeer. In een zaal met plankenvloeren, zodat alle stappen zwaar doorklonken, en met boeken die een boekengeur hadden. Er werd niet geroepen, zelfs niet luidop gesproken, men fluisterde er. Ik ging er het liefst alleen naar toe.
Op het podium - het was een polyvalente zaal avant la lettre - heb ik er eens een Divina Commedia op de kop getikt. Ik heb ze nóg, de drie deeltjes, in een klein formaat, met een groen kaftje, en in het Italiaans! Ik stond ze in te kijken toen een iets oudere jongen op mij afkwam en vroeg of ik ze echt zou kopen, hij wou ze eigenlijk ook. Natuurlijk twijfelde ik toen niet meer.
De boekenbeurs in Antwerpen was sinds enkele jaren voor mij een opgave geworden. De treinreis en de drukte neem ik er nog graag bij. Maar het is alsof je iemand die van zwemmen houdt, in een groot meer zou droppen. De zwemmer zou er onbelemmerd in kunnen zwemmen, maar zolang hij geen oevers zou zien, zou hij daar vast niet erg van genieten.
Zie je, ik verdrink er zowat in al die boeken.
Ik zit er ook niet op te wachten: boeken zijn een vast element in mijn leven. Ik ben er constant mee bezig, er is nooit een tekort aan boeken.
En iedere bezoeker van de boekenbeurs kent het fenomeen: een uur of vier, vijf in dat Antwerpse Bouwcentrum kunnen je hondsmoe maken, maar ze volstaan nooit om je het gevoel te geven dat je weer mee bent, dat je een overzicht hebt.
Maar misschien is dat probleem zichzelf gaandeweg aan het elimineren. De laatste paar jaren ben ik me als vanzelf gaan toespitsen op boeken waarvoor ik anders geen tijd maak. Ik ga er zeker niet meer om er de met veel tamtam aangekondigde titels te gaan inkijken, niet om bekende signerende auteurs te zien, en alleszins niet langer in de hoop er een overzicht te krijgen van de Nederlandstalige literaire productie van het laatste jaar... . Als ik afga op wat mijn vangst is van verleden jaar, een leesbaar boek over wiskunde, een boek met foto's van buitengewone bomen, een kleurrijk werkje over elfen, een van die prachtige prentenboeken voor kinderen, dan ga ik niet langer voor de literatuur. Dat is misschien de oplossing.
Als ik nu onderweg ben naar huis, zit ik als vanouds bijna te snorren van contentement over mijn aankopen. En daarvoor blijf ik dus gaan.
Het is zo véél, het is té veel.
Ik heb een beetje heimwee naar de boekenbeurs die het Davidsfonds jaarlijks in onze gemeente hield. Die was nog overzichtelijk, en vol sfeer. In een zaal met plankenvloeren, zodat alle stappen zwaar doorklonken, en met boeken die een boekengeur hadden. Er werd niet geroepen, zelfs niet luidop gesproken, men fluisterde er. Ik ging er het liefst alleen naar toe.
Op het podium - het was een polyvalente zaal avant la lettre - heb ik er eens een Divina Commedia op de kop getikt. Ik heb ze nóg, de drie deeltjes, in een klein formaat, met een groen kaftje, en in het Italiaans! Ik stond ze in te kijken toen een iets oudere jongen op mij afkwam en vroeg of ik ze echt zou kopen, hij wou ze eigenlijk ook. Natuurlijk twijfelde ik toen niet meer.De boekenbeurs in Antwerpen was sinds enkele jaren voor mij een opgave geworden. De treinreis en de drukte neem ik er nog graag bij. Maar het is alsof je iemand die van zwemmen houdt, in een groot meer zou droppen. De zwemmer zou er onbelemmerd in kunnen zwemmen, maar zolang hij geen oevers zou zien, zou hij daar vast niet erg van genieten.
Zie je, ik verdrink er zowat in al die boeken.
Ik zit er ook niet op te wachten: boeken zijn een vast element in mijn leven. Ik ben er constant mee bezig, er is nooit een tekort aan boeken.
En iedere bezoeker van de boekenbeurs kent het fenomeen: een uur of vier, vijf in dat Antwerpse Bouwcentrum kunnen je hondsmoe maken, maar ze volstaan nooit om je het gevoel te geven dat je weer mee bent, dat je een overzicht hebt.
Maar misschien is dat probleem zichzelf gaandeweg aan het elimineren. De laatste paar jaren ben ik me als vanzelf gaan toespitsen op boeken waarvoor ik anders geen tijd maak. Ik ga er zeker niet meer om er de met veel tamtam aangekondigde titels te gaan inkijken, niet om bekende signerende auteurs te zien, en alleszins niet langer in de hoop er een overzicht te krijgen van de Nederlandstalige literaire productie van het laatste jaar... . Als ik afga op wat mijn vangst is van verleden jaar, een leesbaar boek over wiskunde, een boek met foto's van buitengewone bomen, een kleurrijk werkje over elfen, een van die prachtige prentenboeken voor kinderen, dan ga ik niet langer voor de literatuur. Dat is misschien de oplossing.
Als ik nu onderweg ben naar huis, zit ik als vanouds bijna te snorren van contentement over mijn aankopen. En daarvoor blijf ik dus gaan.
zondag 1 november 2009
Het echte leven
'Dat is toch niet het echte leven'.
Het is een opmerking waartegen ik me vaak weerloos voel.
Het gaat hier over lezen, meer bepaald literatuur lezen (let wel, als het gaat om een roman gebaseerd op een waar gebeurd verhaal, kan dat lezen soms nog met goedkeuring gaan lopen).
De weerloosheid komt voort uit de omstandigheid dat de mensen die dat voor je voeten werpen eigenlijk geen antwoord verwachten. Het gaat meer om het neersabelen, met zo'n vloeiende en definitieve beweging als waarmee Zorro dat kan: voila, dit hebben we ook weer uit de weg geruimd.
Escapisme, de term van wie het wat gesofisticeerder wil zeggen. Je loopt weg van het echte leven, want je duikt onder in een ... ja wat, een onecht leven dus.
In Knack extra las ik verleden week een gesprek met Christophe Vekeman en Yves Petry (*). Als uitgangspunt stelde de interviewer, Tom Van Imschoot, dat het maatschappelijk aanzien van literatuur sterk gedaald is. Dat verklaart volgens hem waarom de roep naar maatschappelijke betrokkenheid in de literatuur groter wordt. Of dat voor hen een optie was?
Ik haal dit interview aan omdat het een beetje in dezelfde richting zit, nl. literatuur kan enkel nog legitiem zijn als ze nuttig wordt, en dat kan ze door bv. maatschappelijke problemen te behandelen.
Beide schrijvers zeggen hierover heel zinnige dingen. Ik meen het, lang geleden dat ik in een populair blad nog zo'n goed literair interview heb gelezen.
Of het voor hen een optie was? Nee, vindt Vekeman, hij heeft het niet zo voor dat rechtstreekse verband. Wel voor het indirecte: 'Want net in dat indirecte schuilt de kracht van kunst en literatuur, zowel bij het schrijven als bij het lezen. Het is een nobele vorm van escapisme. Het laat je toe om buiten het alledaagse leven te stappen op een manier die, als het goed is, toch weer verbanden legt met je eigen, hoogstpersoonlijke realiteit. Door de vlucht uit de werkelijkheid leer je ze beter kennen. Door uit jezelf te treden kom je jezelf tegen. In die zin gaat het er mij als schrijver om juist naast de maatschappij te gaan staan. Ik ben geïnteresseerd in de realiteit van het leven en daarvoor heb ik het indirecte van fictie nodig.'
Wel, ik als lezer kan het niet beter of mooier zeggen.
Het kan wel nog ánders gezegd worden, het wordt trouwens door schrijvers constant opnieuw geformuleerd. Maar dat is voor een andere keer.
(*) Christophe Vekeman en Yves Petry. Halt, hier zijn te zien: de laatste individuen!, interview door Tom Van Imschoot, in Knack extra, jrg. 2009, nr. 09, p. 17-19
Het is een opmerking waartegen ik me vaak weerloos voel.
Het gaat hier over lezen, meer bepaald literatuur lezen (let wel, als het gaat om een roman gebaseerd op een waar gebeurd verhaal, kan dat lezen soms nog met goedkeuring gaan lopen).
De weerloosheid komt voort uit de omstandigheid dat de mensen die dat voor je voeten werpen eigenlijk geen antwoord verwachten. Het gaat meer om het neersabelen, met zo'n vloeiende en definitieve beweging als waarmee Zorro dat kan: voila, dit hebben we ook weer uit de weg geruimd.
Escapisme, de term van wie het wat gesofisticeerder wil zeggen. Je loopt weg van het echte leven, want je duikt onder in een ... ja wat, een onecht leven dus.
In Knack extra las ik verleden week een gesprek met Christophe Vekeman en Yves Petry (*). Als uitgangspunt stelde de interviewer, Tom Van Imschoot, dat het maatschappelijk aanzien van literatuur sterk gedaald is. Dat verklaart volgens hem waarom de roep naar maatschappelijke betrokkenheid in de literatuur groter wordt. Of dat voor hen een optie was?
Ik haal dit interview aan omdat het een beetje in dezelfde richting zit, nl. literatuur kan enkel nog legitiem zijn als ze nuttig wordt, en dat kan ze door bv. maatschappelijke problemen te behandelen.
Beide schrijvers zeggen hierover heel zinnige dingen. Ik meen het, lang geleden dat ik in een populair blad nog zo'n goed literair interview heb gelezen.
Of het voor hen een optie was? Nee, vindt Vekeman, hij heeft het niet zo voor dat rechtstreekse verband. Wel voor het indirecte: 'Want net in dat indirecte schuilt de kracht van kunst en literatuur, zowel bij het schrijven als bij het lezen. Het is een nobele vorm van escapisme. Het laat je toe om buiten het alledaagse leven te stappen op een manier die, als het goed is, toch weer verbanden legt met je eigen, hoogstpersoonlijke realiteit. Door de vlucht uit de werkelijkheid leer je ze beter kennen. Door uit jezelf te treden kom je jezelf tegen. In die zin gaat het er mij als schrijver om juist naast de maatschappij te gaan staan. Ik ben geïnteresseerd in de realiteit van het leven en daarvoor heb ik het indirecte van fictie nodig.'
Wel, ik als lezer kan het niet beter of mooier zeggen.
Het kan wel nog ánders gezegd worden, het wordt trouwens door schrijvers constant opnieuw geformuleerd. Maar dat is voor een andere keer.
(*) Christophe Vekeman en Yves Petry. Halt, hier zijn te zien: de laatste individuen!, interview door Tom Van Imschoot, in Knack extra, jrg. 2009, nr. 09, p. 17-19
Abonneren op:
Posts (Atom)