zaterdag 10 april 2010

Generosity : an enhancement (2)

Ik kan nu al verklappen dat de verteller niet op de achtergrond verdwijnt. Het gaat zelfs verder dan dat, zijn aanwezigheid wordt ook verklaard. Je moet weten dat dit boek -ook- over schrijven gaat. Zo is Russell Stone, leraar creative writing, bezig aan een roman, maar slaagt hij er niet in om zijn personages echt tot leven te laten komen. Een vriend geeft hem de raad om hen door de ogen van iemand anders te bekijken. En dat is precies wat Richard Powers hier doet. Ik vraag me af: weet hij dat de karakters in bv. The goldbug variations een beetje flets zijn, te veel de dragers van hun/zijn ideeën. Verklaart hij hier zijn eigen vertelprocédé?
Wel een beetje 'weird', deze flitsen over en weer tussen de auteur en zijn personages.

Het eigenlijke thema van het boek is natuurlijk de jacht op het geluksgen. Dat is een fascinerend thema, maar niet an sich de reden waarom dit zo'n fascinerend boek is. Een schrijver is een alchemist. Of niet soms? Daar moeten we het later eens over hebben

maandag 5 april 2010

Generosity : an enhancement (*)

Drieënvijftig bladzijden ver, en er is nog niets geweest dat me stoort.
Ja, ik ben op mijn hoede. In de werken van Richard Powers ontbreekt soms de spankracht. De schrijver kan het niet helpen. Zijn geest vliegt op eenzame hoogte. Hij ziet zoveel meer. Maar soms lijdt het verhaal eronder.
Ik hou van boeken met een verhaal, met een stevige structuur. Ik hou ook van bespiegelingen in boeken.
Maar de verhoudingen moeten goed zijn.
Met 'Generosity : an enhancement' zit de auteur, totnutoe, goed.

In het eerste deel van dit boek laat de schrijver zijn personages langzaam tot leven komen. Hij is op zoek ernaar, probeert een helder beeld van hen te krijgen. Tegen het einde van het eerste deel heeft hij ons zijn hoofdpersonage Russell Stone en de leerlingen van zijn avondklas voorgesteld.
Vertellers die zichzelf te sterk op de voorgrond werken, zijn meestal irritant. Maar dit is goed, dit is knap gedaan. De zoektocht van de verteller komt heel natuurlijk over, en je hebt vaag de indruk dat je de karakters zelf ontdekt.

(*) Generosity, an enhancement.
Richard Powers, Farrar, Straus and Giroux, New York, 2009, 296 p.

zaterdag 20 maart 2010

Radetzkymarsch (2), of Het echte leven (3)

Heerlijk, die (o zo) milde ironie.
Heerlijk, hoe de verteller voortdurend zijn (o zo) zacht spottende blik over zijn karakters laat dwalen.
Nog een voorbeeld.
Wanneer Onufrij een heroische poging doet om zijn meester Carl uit de schulden te helpen, is Carl weer te dom om dat in te zien. Het gebaar van zijn knecht doet hem (toch!) denken aan het stereotiep van de goede, edele officiersknecht die zo vaak voorkomt in de boekjes die hij las in het militair ziekenhuis. Hoewel hij totaal geen literaire smaak heeft, voelt hij weerzin tegen het sentimentele van die boekjes en van hun edele figuren.
De commentaar van de auteur luidt hier:
'Er war nicht erfahren genug, der Leutnant Trotta, um zu wissen, dass es auch in der Wirklichkeit ungeschlachte Bauernburschen mit edlen Herzen gab und dass viel Wahres aus der lebendigen Welt in schlechten Büchern abgeschrieben wurde; nur eben schlecht abgeschrieben.
Er hatte überhaupt noch wenig erfahren, der Leutnant Trotta'.

Verrukkelijk.
En,  is het iemand opgevallen?
De schrijver doet hier een uitspraak over twee dingen ineens:
- Carl, je hebt niet genoeg levenservaring om in te zien dat jouw knecht één van die edele figuren is
- Carl, in boeken zit veel waarheid uit de levende wereld, ook in slechte boeken. Die overigens slecht zijn, omdat ze slecht geschreven zijn.

Kijk nu, de auteur doet hier zomaar een uitspraak over het wezen van de literatuur.
Vandaar de variante titel van dit stukje.

zaterdag 13 maart 2010

Radetzkymarsch

Eind jaren 1800, begin jaren 1900. De Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie wankelt in haar vesten De spanningen binnen de grenzen van het rijk nemen toe, de roep van de volkeren naar nationalisme wordt groter. Tegen deze achtergrond leven we mee met drie generaties van de familie Trotta. De grootvader redt als jonge man het leven van de jonge keizer Franz Jozef, en verheft daarmee zijn familie in de adelstand. Een heldendaad die lange schaduwen achter zich werpt. Schaduwen die bescherming bieden, maar die ook een zware last kunnen zijn, vooral voor zijn kleinzoon. Gedesillusioneerd door de berichtgeving over zijn daad in een kinderboek, neemt de grootvader ontslag uit het leger. Zijn zoon, Franz,  verbiedt hij om voor een militaire loopbaan te kiezen. De zoon slaagt er echter wel in om in de civiele dienst te gaan. Hij brengt het heel gemakkelijk tot Bezirkshauptmann.
Franz is een sterke figuur die een ijzervast vertrouwen heeft in zijn leven in een geordende, stabiele  maatschappij.  Zelf stuurt hij zijn zoon als kind naar de militaire school, om hem voor te bereiden op een waardige militaire loopbaan. Carl is echter helemaal niet het evenbeeld van zijn vader. Hij kiest voor het leger, omdat zijn vader dat nu eenmaal wil, maar vaag voelt hij dat hij liever landbouwer zou zijn. Hij gaat in de cavalerie, hoewel hij nooit goed leert paardrijden. Dat hij toch promotie maakt heeft hij te danken aan de naam van zijn grootvader.
Hij drinkt, begint te gokken, heeft affaires met getrouwde vrouwen, en werkt zich voortdurend in nesten. Een mens zonder ruggengraat, een slappeling, staat hij -misschien- voor de neergang van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, maar zeker voor de decadentie binnen de legerkringen.
Het verval van de maatschappij uit zich om zo te zeggen in zijn leven. De barsten die hier optreden weerspiegelen zich echter ook in kleine, nauwelijks merkbare barstjes in de levensvisie van de vader. Dat de schrijver twee opeenvolgende generaties neerzet die zo elkaars tegenpool zijn, opent een aantal mogelijkheden. Maar het is ook gewaagd om dit te doen, want de vader is eigenlijk al een anachronisme. Het vraagt een schrijver als Joseph Roth om beide levenslijnen tegelijk waarschijnlijk, en waarachtig te houden. Hij is dan ook een meester in het neerzetten van karakters, en in het creëren van sfeer. Als je de vader volgt, deel je met hem het geloof in een sterke samenleving, in de waarde van een vaste orde, en in de onveranderlijkheid van deze orde. Als je met de zoon meegaat, zie je niets dan doelloosheid, futiliteit, verveling, decadentie.

Radetzkymarsch is een van melancholie doordrongen boek.
Benno Barnard noemt het lezen van dit boek een droevig genot. Ik ben het dit keer met hem eens.
Maar het boek zit ook vol humor.
Twee passages om dat te laten zien.

De vader komt iedere week samen met dokter Skowronnek om te schaken. Dit keer vertelt hij hem dat zijn zoon weg wil uit het leger. De dokter troost hem en zegt dat de zoon misschien beter geschikt is voor een ander beroep. Welk ander beroep wil de vader weten.
"Was für einen Beruf, Herr Doktor?"
"Er konnte", meinte Doktor Skowronnek, "vielleicht bei der Eisenbahn unterkommen!"
De Bezirkshauptmann sah im nähsten augenblick seinen Sohn in der Uniform eines Schaffners, eine Zange zum Knipsen der Fahrkarten in der Hand. Das Wort "Unterkommen" jagte einen Schauer durch sein altes Herz. Er fror.
"So, meinen Sie?"
"Sonst weiss ich nichts!" sagte Doktor Skowronnek.

Anders kan ik niets bedenken...

De keizer kan niet slapen, en hij gaat voor het open raam naar buiten staan kijken.
Man schloss die Fenster in seinem Schlafzimmer. In der Nacht, er konnte nicht schlafen, rings um ihn aber schlief alles, was ihn zu bewachen hatte, stieg der Kaiser im langen, gefalteten Nachthemd aus dem Bett und sachte, sachte, um keinen zu wecken, klinkte er die hohen, schmalen Fensterflügel auf. Er blieb eine Weile stehen, den kühlen Atem der herbstlichen Nacht atmete er, und die Sterne sah er am tiefblauen Himmel und die rötlichen Lagerfeuer der Soldaten. Er hatte einmal ein Buch über sich selbst gelesen, in dem der Satz stand: "Franz Joseph der Erste ist kein Romantiker." Sie schreiben über mich, dachte der alte Mann, ich sei kein Romantiker. Aber ich liebe die Lagefeuer.


Wordt vervolgd.

zondag 7 februari 2010

Treinlezen

's Morgens vroeg, de trein naar Brussel.
De meeste mensen slapen. Van sommigen valt hun mond open, en dribbelt er al gauw wat speeksel uit.
Geen commentaar, ik ben er ook soms bij.
De anderen lezen, kranten, maar ook boeken.
Ik lees ook. Behalve op sommige dagen. Als er iemand voor me zit met een boek, dan moet ik op sommige dagen gewoon weten wat het is. Dan is het iedere keer weer zaak heel vlug te zijn, en de titel te spotten voor de lezer zich gesettled heeft. Als dat lukt, kan ik zelf beginnen lezen.
Als het niet onmiddellijk lukt, wordt het vervelend, gênant zelfs. Ik zit te gluren en te loeren naar het boek, tot de lezer er ongemakkelijk onder wordt en me een boze blik toewerpt. Denkt dat ik hem/haar zit aan te staren. Er rest me dan niets anders dan me te concentreren op mijn eigen boek. Maar het blijft me moeite kosten om niet af en toe een verstolen blik op het boek van mijn buur te werpen. Of zelfs om niet te hervallen in gestaar.
Gelukkig zijn er ook andere dagen, dagen waarop ik als een normaal mens door het leven stap, en me dus normaal gedraag. Ik ga zitten, haal mijn boek uit mijn tas en ben weg.

Waarom is lezen in de trein zo prettig?
Ik ken een reeks redenen, ik geef ze hier in in specifiteit opklimmende volgorde:
omdat lezen altijd prettig is
omdat ik graag met de trein reis, en lezen in de trein dus tweemaal genieten is
omdat je er in de trein de tijd niet voor moet stelen
omdat de tijd die je toegemeten krijgt, vast ligt en ik er daardoor intenser gebruik van maak
omdat ik kind was in een groot gezin, en lezen altijd in een drukke omgeving gebeurde. Ik ben zelfs in die richting geconditioneerd, kan me moeilijker concentreren in volkomen stilte.
omdat mensen in mijn omgeving ook zitten te lezen en lezen er dus in de lucht zit
omdat naar het voorbij vliegende landschap kijken ideaal is voor die momenten waarop je je boek even neerlegt

Andere redenen - en die zijn er, daar ben ik zeker van - blijven zich voorlopig in duisternis hullen.
Als u er zicht op hebt, wilt u ze mij dan signaleren?

zaterdag 30 januari 2010

Lachen met boeken

Ooit ben ik begonnen met in een schrift komische fragmenten uit boeken neer te pennen.
't Heeft niet lang geduurd. Ik heb voor zoiets niet de lange adem, en bovendien werkt het ook niet.
Waarschijnlijk moeten ze je verrassen, de dingen die je in een lach doen schieten. Daarom kun je voor dit doel ook niet terugvallen op bloemlezingen (heb ik wel geprobeerd).
Of misschien moet je toch gewoon doorgaan ermee, met het oppotten van die stukjes, en ze verder laten liggen. Misschien blijken ze pas weer te werken als je er het stof vanaf moet blazen.

Vandaag wou ik in ieder geval dat ik had volgehouden.
Voor dagen zoals deze, nu er weer sneeuw ligt, iets waar ik absoluut geen zin in heb!.

zaterdag 16 januari 2010

De echte wereld (2)

In haar essay 'Echter dan werkelijk/Over 'fictie' in de literatuur' (*) buigt ook Patricia de Martelaere zich over de (vermeende?) tegenstelling fictie - realiteit.
In dit essay keert zij zich tegen de filosofie, of toch een beetje.
De filosofie heeft het moeilijk met fictie in de literatuur, stelt ze.
Zij - de filosofie -  worstelt in de eerste plaats met het waarheidsgehalte van de fictie. Dat komt omdat ze niet kan afstappen van haar gewoonte om waarheid als referentie en correspondentie op te vatten.
Dit probleem met het waarheidsgehalte van fictie is een probleem dat betrekking heeft op het 'locutionaire' aspect van de taal, stelt PDM. Dit locutionaire aspect is een van de drie kernbegrippen uit de taaltheorie van John Langshaw. De schrijfster gebruikt deze theorie om duidelijk te maken waar het schoentje wringt tussen filosofie en fictie. Het illocutionaire aspect van een taalact dan is de houding van de spreker tegenover wat hij zegt. Kan een fictieschrijver echte beweringen doen, echte oordelen vellen over iets dat geen bestaande referenten heeft? Dit is een heel moeilijke vraag voor de filosofie. Aannemen dat dat wel kan, brengt andere filosofische theorieën in gevaar. Daarom zoekt de filosofie het antwoord dan maar achter een bocht : fictie schrijven is een apart soort illocutionaire act. Het is als het ware een doen alsof.
De fictielezer brengt ons tot een volgende aspect van Langshaws theorie, nl. het perlocutionaire aspect. Dit is wat de uiting van een taalact teweegbrengt. Welnu, net zoals de schrijver doet alsof, pretendeert volgens de filosofie ook de fictielezer enkel alsof hij de schrijver gelooft. Volgens de filosofie zou er dus sprake zijn van een principiële onbetrokkenheid tussen lezer en gelezen fictie. Bullshit, zegt de schrijfster. Net tot fictionele kunstwerken is onze betrokkenheid het grootst. En omgekeerd legt een lezer maar een partieel engagement aan de dag tegenover gelezen realiteit, bv. tot zijn krant. Dat doet hij uit een gezonde reflex om zichzelf te beschermen. En dat de schrijver alleen maar beweringen zou nabootsen, is volgens de schrijfster al even grote onzin. Tijdens het schrijven is de schrijver niet zozeer iets aan het beweren, hij is iets aan het maken, een kunstwerk. En dat op dezelfde manier als een componist die componeert een kunstwerk maakt, of een schilder die een schilderij maakt.
En nu, lezers, wordt het volgens mij echt interessant. Het probleem met de waarheidswaarde dat de filosofie heeft, zegt PDM, veronderstelt een scheiding tussen vorm en inhoud, die eigen is aan het normale taalgebruik, maar die vreemd is aan het literaire taalgebruik (yes!). In literair taalgebruik kunnen vorm en inhoud niet langer van elkaar gescheiden worden, ze vormen een alchemistische symbiose. Echte literatuur wordt gekarakteriseerd door een onherhaalbare verbinding tussen vorm en inhoud.

Maar er is nog iets. Volgens de schrijfster is er een 'onmiskenbaar en moeilijk te lokaliseren effect van surrealiteit dat het lezen van elk literair werk begeleidt'. Dat effect blijkt er ook te zijn bij het lezen van literaire werken die inhoudelijk 'geheel waar' zijn. De wereld van de literatuur, besluit de schrijfster is een soort 'sur-realiteit', waarin waarheid wordt gecreëerd door de voorstelling zelf, en niet door een 'surrogaatpresentatie van imaginaire referenten'.

 ----------------------------------------------------------------------------------------------------------

De verhouding die Patricia de Martelaere hier aan de kaak stelt, is die van de filosofie tegenover fictie in de literatuur. Maar ik denk dat we zonder probleem kunnen stellen dat het precies dezelfde verhouding is die we in het dagdagelijkse leven merken tussen niet-lezers en fictie, of literatuur. Zonder het bewustzijn ervan, en zonder argumenten.


Als iemand die geniet van een literair fictiewerk, iemand is die geniet van de vorm- en inhoudverbinding, die van dat fictiewerk een literair kunstwerk maakt, dan kunnen we omgekeerd stellen, dat iemand die niet kan genieten van een literair fictiewerk, iemand is die geen gevoel heeft voor die vorm-inhoudverbinding. In modieus taalgebruik zouden we zeggen dat zo iemand niet het gen heeft dat van literatuur doet genieten.
Het taalgebruik als kunstvorm, prijs jezelf gelukkig als je daar gevoel voor hebt.


In tegenstelling tot de schrijfster vind ik het wel belangrijk dat je de term realiteit niet uitsluit in de discussie over fictie in de literatuur. Schrijvers en lezers zijn mensen. We maken deel uit van en beleven dezelfde wereld als de niet-schrijvers en de niet-lezers. Met het schrijven en met het lezen gaan we niet de irrealiteit in, toch niet in het overgrote deel van de literatuur. Het woord 'surrealiteit' dat PDM gebruikt, krijgt hier dan een tweede betekenis. Bovenwerkelijkheid zou je het ook kunnen noemen. Als lezer zweef je net even boven de werkelijkheid uit. Je ziet een werkelijkheid die veel rijker, veel breedser en veel mundialer is dan je vanuit je ene positie middenin dat echte leven te beleven krijgt.
Alsof je een ballonvaart maakt over het leven.



(*) Een verlangen naar ontroostbaarheid. Over leven, kunst en dood. Patricia de Martelaere, Meulenhoff, 2009, p. 137-148