Heerlijk, die (o zo) milde ironie.
Heerlijk, hoe de verteller voortdurend zijn (o zo) zacht spottende blik over zijn karakters laat dwalen.
Nog een voorbeeld.
Wanneer Onufrij een heroische poging doet om zijn meester Carl uit de schulden te helpen, is Carl weer te dom om dat in te zien. Het gebaar van zijn knecht doet hem (toch!) denken aan het stereotiep van de goede, edele officiersknecht die zo vaak voorkomt in de boekjes die hij las in het militair ziekenhuis. Hoewel hij totaal geen literaire smaak heeft, voelt hij weerzin tegen het sentimentele van die boekjes en van hun edele figuren.
De commentaar van de auteur luidt hier:
'Er war nicht erfahren genug, der Leutnant Trotta, um zu wissen, dass es auch in der Wirklichkeit ungeschlachte Bauernburschen mit edlen Herzen gab und dass viel Wahres aus der lebendigen Welt in schlechten Büchern abgeschrieben wurde; nur eben schlecht abgeschrieben.
Er hatte überhaupt noch wenig erfahren, der Leutnant Trotta'.
Verrukkelijk.
En, is het iemand opgevallen?
De schrijver doet hier een uitspraak over twee dingen ineens:
- Carl, je hebt niet genoeg levenservaring om in te zien dat jouw knecht één van die edele figuren is
- Carl, in boeken zit veel waarheid uit de levende wereld, ook in slechte boeken. Die overigens slecht zijn, omdat ze slecht geschreven zijn.
Kijk nu, de auteur doet hier zomaar een uitspraak over het wezen van de literatuur.
Vandaar de variante titel van dit stukje.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten